home > over ons > nieuwsbrief

Democratie: het spel en de emotie

Auteur(s): Maurice van de Mortel,

Het is ruim 25 jaar geleden dat ik het vak staatsrecht volgde aan wat toen nog de Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Sinds die tijd pronkt het "Handboek van het Nederlandse Staatsrecht" (bij juristen beter bekend als de Van der Pot - Donner) in mijn boekenkast. Vergeten en onder het stof naast andere juridische klassiekers. En al die jaren heb ik zonder al te veel problemen kunnen functioneren in de nabijheid van het Haagse politieke spel. Overleven doe je daar vooral door te snappen hoe het spel steeds weer opnieuw wordt gespeeld en deels zelfs opnieuw uitgevonden (met dank aan bijvoorbeeld D66, de LPF en nu de PVV). Een voortdurende alertheid en diep gewortelde fascinatie voor het spel zorgen samen voor een adrenalinestoot die menig topsporter bekend voor zal komen. Staatsrechtelijke aarzelingen zijn in deze optiek niet relevant en vooral voer voor juristen die denken dat je de grillige werkelijkheid altijd in regels kunt vangen. De politieke realiteit vraagt om lef en creativiteit. Dit alles binnen de grenzen van het betamelijke, uiteraard.

Een antenne voor het spel
In de trajecten Politiek-Bestuurlijke Gevoeligheid ontmoet ik vaak deelnemers die stevig verankerd zijn in hun (vakinhoudelijke) expertise. De reden dat ze aan de trajecten deelnemen is dat ze zelf, of hun omgeving, vinden dat ze ook een antenne nodig hebben voor hoe het spel wordt gespeeld waar ze direct of indirect mee te maken hebben. Ze willen de persoonlijke effectiviteit vergroten door beter aan te kunnen sluiten bij de politiek-bestuurlijke context van het werk. Als je het spel snapt kun je beter positie innemen. Cruijff formuleert dit waarschijnlijk beter, maar de boodschap is duidelijk. Het spel heeft zijn eigen dynamiek en het heeft geen zin om daar over te klagen en negatief te oordelen vanaf de zijlijn. Stap er in. Liefst met de ogen en oren wijd open! Ik geniet er elke keer weer van als ik de deelnemers hierbij op weg kan helpen.

Regels en verantwoordelijkheden
Wat me de laatste tijd opvalt bij deze zoektocht, is dat we bij het duiden van de actualiteit steeds vaker moeten teruggrijpen op de (staatsrechtelijke) basisregels van het spel. Wat altijd vanzelfsprekend leek, is dat niet langer meer. Regels lijken minder hard te zijn en wat betekent dat dan voor "onze" democratie? Een paar voorbeelden. Bij de financiële crisis was er weer het ouderwetse torentjesoverleg tussen het Kabinet en de fractieleiders van de coalitiepartijen in de Tweede Kamer. Een oude tactiek die kritisch werd ontvangen omdat de Kamer er mee buitenspel wordt gezet. De reactie van Geert Wilders om vervolgens de Kamer uit te lopen is begrijpelijk en een duidelijk signaal naar de burger die de politiek toch al wantrouwt. Maar wat zegt een volksvertegenwoordiger eigenlijk als hij zich onttrekt aan het debat? En dan de burger. Die is toch ook onderdeel van het democratische systeem? In ieder geval als kiezer, maar ook in de keus om zich te laten vertegenwoordigen. Toch lijkt diezelfde burger zich steeds vaker te onttrekken aan zijn eigen democratische verantwoordelijkheden en zich vooral te beklagen over "de" overheid en "de" politiek. Tenslotte zijn er de media. Ze spelen een cruciale rol in een democratie, maar wakkeren ook graag een vuurtje aan als dat mooie plaatjes en dus meer kijkers/lezers oplevert. Hoort dit allemaal nog bij het spel of zijn het serieus te nemen haarscheurtjes, die tot fundamentelere problemen kunnen leiden?

De parlementaire democratie is nergens perfect dus ook niet in Nederland. Maar het is naar mijn overtuiging wel de minst slechte staatsvorm. Daar horen politieke bestuurders bij die per definitie niet het verlengstuk zijn van het ambtelijk apparaat en die daar tegelijkertijd wel volledig verantwoordelijk voor zijn. De Kamer, de Gemeenteraad en de Staten zijn de arena's waar het debat moet kunnen worden gevoerd, argumenten gewisseld. Daar vindt de controle op de bestuurders plaats. Daarom ook dualisme en geen duurbetaald klapvee voor regenteske bestuurders. Hoe lastig en irrationeel soms ook. Wat dat betreft moet de Nederlandse politiek nog wel wat leren. Debatteren zit de Nederlandse volksvertegenwoordiger namelijk nog niet in de genen. De groeipijnen maken we dagelijks mee dankzij de media die er bovenop zitten en dit een stuk makkelijker in beeld kunnen brengen dan de vertrouwde achterkamertjespolitiek.

En de emotie
Democratie vraagt meer dan ooit dat er debat moet kunnen plaatsvinden. Over klimaatbeleid, subsidies, extra parkeerplaatsen of de route van buslijn 13. En dan komt een ander lastig punt. In het debat gaat het niet alleen om (rationele) argumenten. Misschien juist niet. Debat kan niet zonder overtuiging en emotie. Door emotie te tonen kan de politicus zich verbinden met de burger. Luuk van Middelaar heeft mij met een artikel in de NRC (14 september 2009) enorm geholpen om deze ontwikkeling te kunnen plaatsen. In navolging  van de Franse politicoloog Bernard Manin laat hij zien dat we van een partijendemocratie (waarin partijprogramma's centraal staan) zijn over gegaan in een publieksdemocratie (waarin de politici centraal staan, dus mensen van vlees en bloed). Oorzaken zijn zowel de macht van de media en communicatie-experts als de toenemend politieke onvoorspelbaarheid. Partijprogramma's liggen voor jaren vast, maar zeggen weinig tijdens een financiële crisis waar we nu nog inzitten. Zwevende kiezers kiezen personen waar ze op vertrouwen. Hierbij is het vooral belangrijk hoe hij of zij overkomt, zijn of haar reactie op incidenten etcétera. "Heb ik er een goed gevoel bij" wordt dus steeds belangrijker dan "sta ik achter het partijprogramma". Voor een ambtelijke professional is hiermee het zich verhouden met het debat en de emotie minstens zo belangrijke als de inbreng op basis van de eigen professie.

Relevante leergangen: Politiek Bestuurlijke Gevoeligheid (PBG), Wethoudersprogramma, Leergang LB-II - Intervisiegroep, Politiek Ambtelijk Samenspel (PAS), Ondernemerschap voor ambtenaren, Meesterlijk besturen

« Terug
« Artikelen zoeken